Notengroepen
Het gregoriaans kent vierkante en ruitvormige noten die soms alleen, soms in groepen voorkomen.
Losse noten:
Groepen van twee noten
Groepen van drie of meer noten
- torculus
- porrectus
- climacus, scandicus, (salicus)
Toegevoegd kunnen worden
- twee dalende ruitnoten - (subpunctis of) subbipunctis
- drie dalende ruitnoten - (subpunctis of) subtripunctus
- hogere vierkante noot - resupinus
- lagere vierkante noot - flexus
Van alle notengroepen kan de laatste noot veranderd worden: liquescens (‘vloeinoot’)
Het vergemakkelijkt de uitspraak van bepaalde medeklinkers op de plaats van de liquescens.
Episema
is een liggend streepje boven of onder een enkele noot of een groep noten.
Het betekent (in de oude theorie): enigszins verlengen
Punt
Verlengt de noot, niet perse twee keer zo lang.
Modaliteit
Het gregoriaans kent geen toonladders, maar modi:
- Eerste modus - Protus
- Tweede modus - Deuterus
- Derde modus - Tritus
- Vierde modus - Tetrardus
Het gaat om (de secunde en) de terts en de toon onder de tonica (grondtoon)
Lees verder...