Zeer korte schets van de geschiedenis
De wortels van het gregoriaans liggen in de joodse synagoge; het gregoriaans is ontstaan uit de zang in de joodse synagoge. De eerste christenen zongen uiteraard op de manier zoals ze gewend waren.
Paus Gregorius de Grote ordende de vele gregoriaanse gezangen (rond 600); het gregoriaans is naar deze paus vernoemd. (Andere tradities: gallicaanse (Frankrijk), milanese (Milaan), oud-romeinse (Rome), ambrosiaanse (Milaan), mozarabische (Spanje))
In de middeleeuwen maakt het gregoriaans een ontwikkeling door van betrekkelijk sober (romaans) naar rijk versierd (gotisch). De steeds ingewikkelder gezangen konden op den duur niet meer door het volk gezongen worden; een gespecialiseerd koor - de Schola Cantorum - nam het zingen over.
Na de ontwikkeling van de meerstemmigheid (ook een ‘gotisch’ verschijnsel) neemt de belangstelling voor het gregoriaans sterk af. Pas in de romantiek neemt de belangstelling weer toe. Vooral het klooster van Solesmes bevordert het zingen ervan; deze kloosterlingen hebben veel restauratiewerk moeten verrichten want gedurende de eeuwen was de gregoriaans stijl totaal verwaterd.
In de twintigste eeuw neemt de belangstelling explosief toe. De liturgievernieuwing in de jaren zestig (Tweede Vaticaanse Concilie) waarbij de volkstaal als liturgische taal naast het latijn werd toegestaan, deed de belangstelling korte tijd sterk verminderen. De laatste tientallen jaren neemt vooral de belangstelling buiten de Kerk sterk toe.